<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<feed xmlns:bsl="http://www.bsl.nl" xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom"><logo>http://www.vakbibliotheek.nl/rss/bsl-praktisch-partners.gif</logo><title>Medisch-Farmaceutische Mededelingen</title><subtitle>Aanvulling 10, december 2009</subtitle><id>urn:bsl:0168-7670</id><link rel="self" href="http://vb23.bsl.nl/frontend/xml/0168-7670.xml"/><link href="http://mfm.bsl.nl" rel="alternate"/><rights>Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten</rights><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><author><name>Bohn Stafleu van Loghum</name><uri>http://www.bsl.nl</uri></author><entry><title>Nieuwe Influenza A (H1N1) vaccins: praktisch en in perspectief</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c80286395.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c80286395</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>A.G. Vulto</name></bsl:author><bsl:author><name>A. de Goede</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;img src="http://vb23.bsl.nl/BSL/content/edition/0168-7670/0168-7670.jpg" align="right" hspace="10"/&gt;&lt;b&gt;A.G. Vulto, A. de Goede&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Op het moment dat sprake is van een wereldwijde pandemie en in Nederland van een epidemie van Nieuwe Influenza A (H1N1; beter bekend als Mexicaanse griep) is de distributie van het vaccin begonnen. De uitbraak van Nieuwe Influenza A (H1N1), die kan leiden tot een sociale en economische noodsituatie, heeft het spanningsveld tussen openbare gezondheidszorg (&#8216;public health&#8217;) en individuele zorgbehoefte zichtbaar gemaakt. In dit artikel gaan wij kort in op de door de Nederlandse overheid gemaakt risicoschatting bij de voorbereiding op deze epidemie, alsmede op enkele praktisch farmaceutische aspecten van de vaccins.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Antidepressiva voor jongeren &#8211; misschien of misschien toch maar niet?</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c80286396.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c80286396</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>J.M.A. Sitsen</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;J.M.A. Sitsen&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;In twee artikelen kruisen deskundigen de degens over een belangrijk vraagstuk:wegen de voordelen van antidepressiva bij jongeren op tegen de nadelen &#8211; of niet? March en Vitiello (2009) geven de antidepressiva het voordeel van de twijfel. Ondanks alle onzekerheid past men bij ongeveer 2% van de kinderen en adolescenten in de Verenigde Staten selectieve serotonine heropnameremmers (SSRI&#8217;s) toe voor de behandeling van obsessief-compulsieve stoornis en stemmingsen angststoornissen. Kennelijk maken vele artsen zich geleidelijk minder zorgen over deze vorm van behandeling.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Kans op progressieve multifocale leukoencefalopathie (PML) blijft aanwezig bij patiënten met multiple sclerose die behandeld worden met natalizumab</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c80286397.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c80286397</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Progressieve multifocale leukoencefalopathie (PML) treedt op bij een klein deel van de patiënten met multiple sclerose (MS) die behandeld worden met natalizumab. Natalizumab is een gehumaniseerde monoclonale antistof die zich bindt aan het &#12296;4 integrine molecuul van de epitopen &#63720;1 en &#63720;7. Het is een adhesiemolecuulremmer die extravasatie uit de bloedbaan van B- en T-cellen naar de hersenen voorkomt en daarmee ook een ontstekingsreactie.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Statines bij COPD; een systematisch overzicht</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c80286398.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c80286398</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De 3-hydroxy 3-methylglutamyl coenzyme reductase remmers (i.e statines) worden breed ingezet bij de behandeling van patiënten met hypercholesteremie en cardiovasculaire ziekten. Er verschijnen echter steeds meer berichten dat statines een gunstig effect hebben op de morbiditeit en de mortalitieit van patiënten met COPD. Het doel van het hier beschreven onderzoek was een systematisch onderzoek te verrichten van de literatuur om te evalueren wat het effect van statinetherapie bij COPD is. Hiertoe werden gegevens verzameld van gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT&#8217;s), observationeel cohort onderzoek,case-control studies en populatiegebaseerde analyses verzameld uit de volgende databanken: Medline, Excerpta,Medica, PapersFirst en Cochrane.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Veiligheid en werkzaamheid van de combinatie van langwerkende bèta-agonisten en  inhalatiecorticosteroïden versus de monotherapie met bèta-agonisten bij patiënten met stabiele COPD: een systematisch overzicht</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c80286399.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c80286399</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De richtlijnen bevelen aan om patiënten met ernstige en zeer ernstige COPD te behandelen met een combinatie van inhalatiecorticosteroïden (ICS) en langwerkende bèta-agonisten (LABAs). Het bewijs hiervoor is echter niet eensluidend. Het doel van dit overzicht is de veiligheid en werkzaamheid van de combinatie LABAs/ICS te vergelijken met die van monotherapie met LABA bij patiënten met matig tot ernstig COPD. Hiertoe werd een systematisch literatuuronderzoek uitgevoerd in Medline, EMBASE, het Cochrane Controlled Clinical Trial Register en de onderzoeksregisters van farmaceutische fabrikanten zonder beperking van de taal van de publicaties. Primaire uitkomstmaten waren het aantal exacerbaties en de mortaliteit. Secundaire uitkomstmaten waren longfunctie, kwaliteit van leven betreffende de gezondheid en bijwerkingen.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Is er een relatie tussen geïnhaleerde anticholinergica en cardiovasculaire episoden bij patiënten met COPD?</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639a.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639a</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>E. van der Does</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;E. van der Does&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Er heerst onzekerheid over de vraag of geïnhaleerde anticholinergica, met name ipratropium en tiotropium, het cardiovasculaire risico van patiënten met COPD verhogen of verlagen. Feit is dat de meest voorkomende oorzaak waarom COPD-patiënten in een ziekenhuis opgenomen worden een cardiovasculaire aandoening is. Dit zal deels te verklaren zijn doordat beide ziekten dezelfde risicofactoren hebben, zoals roken en gevorderde leeftijd.Voorts is er de hypothese dat door de systemische ontsteking bij COPD het risico op een cardiovasculaire aandoening, zoals een hartinfarct,wordt vergroot.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Remming van fosfodiësterase-4 (PDE4) bij COPD</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639b.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639b</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Fosfodiësteraseremmers (PDE&#8217;s) zijn een superfamilie van enzymen die de extracellulaire boodschappers c-AMP en C-GMP inactiveren. Er zijn 11 enzymen van deze familie bekend die elk een andere weefselverdeling en substraatspecificiteit bezitten. In deze familie is PDE4 een interessant doelwit gebleken voor de ontwikkeling van geneesmiddelen voor astma en COPD. Remming van dit enzym is van invloed op de activiteit van immuuun- en ontstekingscellen, glad spierweefsel en longzenuwen. Daarnaast wordt de mobilisatie van ontstekingscellen (eosinofiele en neutrofiele granulocyten, macrofagen en T-cellen) sterk geremd. Om die reden zijn er nogal veel PDE4-remmers in ontwikkeling voor de indicatie COPD, temeer omdat bij deze aandoening adequate therapie ontbreekt en de PDE4-remmers die in ontwikkeling zijn, verbetering van longfunctie, gezondheidstoestand en vermindering van het aantal exacerbaties hebben getoond. Bij gebruik treden echter vaak bijwerkingen op van gastro-intestinale aard (misselijkheid, diarree) en ook hoofdpijn. Deze bijwerkingen hebben een vlotte ontwikkeling van PDE4-remmers vertraagd.Toch is ondertussen de klinische ontwikkeling van roflumilast flink gevorderd.De behandeling van COPD bestaat momenteel uit luchtwegverwijders in combinatie met inhalatiesteroïden. In twee onderzoeken1,2 werd nagegaan in hoeverre een PDE4-remmer toegevoegd aan een bestaand behandelregime een positief effect kan hebben op de longfunctie en op het aantal exacerbaties.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Raloxifeen en de kans op een CVA</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639c.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639c</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>J.M.A. Sitsen</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;J.M.A. Sitsen&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De toepassing van raloxifeen vermindert de kans op wervelfracturen en invasieve borstkanker en heeft geen invloed op de kans op een aandoening van de kransslagaderen, maar verhoogt het aantal dodelijke CVA&#8217;s bij postmenopauzale vrouwen met een verhoogde kans op aandoeningen van de kransslagaderen. De onderzoekers analyseerden de gegevens van twee grote klinische onderzoeken (Raloxifene Use for the Heart [RUTH]: 10.101 postmenopauzale vrouwen die een aandoening van de kransslagaderen hadden of een verhoogde kans om die te krijgen; Multiple Outcomes of Raloxifene Evaluation [MORE]: 7705 postmenopauzale vrouwen met osteoporose) met het doel na te gaan of de dodelijke CVA&#8217;s vooral optreden bij vrouwen die al een grote kans lopen om een CVA te krijgen.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>De polypil voor hen die nog niets mankeren!</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639d.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639d</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>E. van der Does</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;E. van der Does&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Het is bekend dat met een mengsel van geneesmiddelen gericht op risicofactoren voor hart- en vaatziekten, gecombineerd in een pil en toegediend aan in het algemeen gezonde mensen, bij meer dan 80%&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Dosering van antipsychotica bij ouderen</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639e.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639e</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>J.M.A. Sitsen</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;J.M.A. Sitsen&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De toepassing van antipsychotica behoort tot de gebruikelijke zorg bij acute schizofrenie en is vaak ook onderdeel van de onderhoudsbehandeling. De dosering en de veiligheid van antipsychotica zijn in het algemeen bij betrekkelijk jonge patiënten onderzocht. Gelet op enkele nog niet zo lang bekende bijwerkingen is het de vraag of de dosering bij het ouder worden van de patiënten wel dezelfde moet blijven en of de balans tussen gunstige en ongunstige werkingen in de loop der tijd niet verandert.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Effect van sulfonylureumderivaten van de tweede generatie op overleving na een myocardinfarct bij patiënten met diabetes mellitus</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c8028639f.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c8028639f</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>H.J.M.G. Nelissen-Vrancken</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;H.J.M.G. Nelissen-Vrancken&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De werking van sulfonylureumderivaten berust op de remming van adenosinetrifosfaat (ATP)-gevoelige kaliumkanalen in de B-cellen van de pancreas. Remming van deze kanalen in het hart leidt mogelijk tot een verminderde bescherming van het hart bij ischemie. Arruda-Olson en medewerkers onderzochten of deze bijwerking in het hart in de praktijk daadwerkelijk leidt tot een verminderde overlevingsduur van diabetespatiënten na een myocardinfarct. Zij onderzochten de overleving van alle 2.189 inwoners van een (betrekkelijk geïsoleerde) Amerikaanse stad, bij wie tussen 1985 en 2002 een myocardinfarct was vastgesteld. Ze maakten daarbij gebruik van het Rochester Epidemiology Project, waardoor zij beschikten over alle relevante geregistreerde medische gegevens van de inwoners. De diagnosen myocardinfarct en diabetes mellitus werden bevestigd met behulp van respectievelijk epidemiologische standaardcriteria en criteria van de National Diabetes Data Group. Van alle inwoners met een myocardinfarct had 19% diabetes mellitus. De klinische kenmerken van deze diabetespatiënten verschilden aanzienlijk van de overige inwoners met een myocardinfarct; zij waren vaker vrouw en hadden een hogere BMI en vaker hypertensie, hyperlipidemie en perifere en cerebrale aandoeningen. Van de diabetespatiënten werd 22% niet-medicamenteus behandeld, 47% van hen kreeg insuline en 31% sulfonylureumderivaten (63% glibenclamide, 33% glipizide en 4% glimepiride). De gegevens van patiënten die andere orale medicatie (n=23) kregen, werden niet in het onderzoek opgenomen.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Calciumantagonisten en cardiovasculaire uitkomst</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a0.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a0</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>T. van Gelder</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;T. van Gelder&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;In 2000 publiceerde Pahor een omstreden meta-analyse in The Lancet waarin werd gesteld dat het gebruik van calciumantagonisten voor hypertensie samenging met een verhoogde kans op cardiovasculaire aandoeningen. Later werd deze claim ontkracht in een aantal andere analyses, onder meer van Staessen. Omdat in de afgelopen jaren een aantal nieuwe prospectieve onderzoeken met calciumantagonisten voor de behandeling van hypertensie is verschenen, besloot een Italiaanse groep onderzoekers een nieuwe meta-analyse uit te voeren. Zij vermelden dat &#8211; ofschoon de twijfel over het risico van gebruik van calciumantagonisten op ontwikkeling van myocardinfarcten of cardiovasculaire sterfte wel is weggenomen &#8211; er toch nog twijfel bestaat ten aanzien de invloed van het gebruik van calciumantagonisten op de kans op hartfalen. Om die reden kon deze (zoveelste) meta-analyse toch belangrijke nieuwe informatie opleveren.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Diabetische ketoacidose door blootstelling van insulinepomp aan zonlicht</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a1.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a1</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>M.L. Becker</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;M.L. Becker&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Het gebruik van pompen voor continue subcutane infusie van insuline neemt wereldwijd toe. Een nadeel van deze pompen is dat snel ketoacidose kan optreden als er problemen met de toevoer van insuline ontstaan omdat er geen langwerkende insulinen worden gebruikt.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Behandeling met insuline: kan het beter?</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a2.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a2</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>T. van Gelder</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;T. van Gelder&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;In een commentaar in de JAMA verscheen recent een hartekreet van Hirsch betreffende de beroerde wijze waarop in de VS de behandeling van diabetes mellitus was geregeld. Hirsch stelt dat specialisten en artsen in opleiding onvoldoende kennis hebben van de grondbeginselen van de behandeling met insuline.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Neuraminidase remmers voor de behandeling en profylaxe van influenza bij kinderen: systematisch overzicht en meta-analyse van gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a3.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a3</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Het doel van dit onderzoek was de werkzaamheid van de neuraminidase-remmers oseltamivir en zanamivir na te gaan bij de behandeling van kinderen met seizoensgebonden influenza en de preventie van transmissie naar kinderen in huiselijke kring indien daar gevallen van influenza zijn. Hiertoe werden de data van alle gepubliceerde en nog niet gepubliceerde gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken verzameld en geëvalueerd die via de Medline en Embase databanken, registratieautoriteiten, door vaccinproducenten en door auteurs tot juni 2009 openbaar waren gemaakt.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Werkzaamheid van dabigatran ten opzichte van warfarine bij mensen met atriumfibrilleren</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a4.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a4</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>E. van der Does</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;E. van der Does&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Van warfarine (remmer van vitamine K) is bekend dat deze stof het risico op een cerebrovasculair accident (CVA) door embolie bij mensen met atriumfibrilleren vermindert, maar wel het risico op een bloeding vermeerdert en tevens is het voor dagelijks gebruik niet zo&#8217;n gemakkelijke stof.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Invloed van cytochroom P450 2C19 genotype op de effectiviteit van clopidogrel</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a5.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a5</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.A.G. de Klaver</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.A.G. de Klaver&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Clopidogrel is een plaatjesremmer die zijn werking uitoefent door zich te binden aan de P2Y12 receptor die op plaatjes aanwezig is. Door binding aan deze receptor wordt ADP-gemediëerde plaatjesaggregatie geremd.Clopidogrel is een prodrug en moet in de lever omgezet worden tot een actieve thiol metaboliet om zijn werking uit te oefenen. Hierbij zijn verschillende cytochroom P450 (CYP) enzymen betrokken. Het is bekend dat er bepaalde CYP2C19 genotypen zijn die tot minder activiteit van clopidogrel leiden. Verminderde activiteit is een probleem, omdat bekend is dat resistentie tegen clopidogrel kan leiden tot ischemie. In het onderzoek van Schuldiner et al.1 werd onderzocht wat het effect van het genotype van CYP2C19 op de activiteit van clopidogrel is. Dit onderzoek bestond uit 2 onderdelen. In het eerste onderdeel kregen 429 gezonde personen van de Amish gemeenschap een oplaaddosis clopidogrel van 300 mg, gevolgd door 75 mg per dag. Gedurende 6 dagen werden plaatjesaggregatiemetingen gedaan (PAPI-onderzoek). In het tweede onderdeel van het onderzoek werden van 227 patiënten die een percutane coronaire interventie (PCI) hadden ondergaan, het genotype van CYP2C19 bepaald en tevens de mogelijke ischemische gebeurtenissen geregistreerd.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Bijwerkingen van salmeterol bij astma: een neuronaal perspectief</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a6.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a6</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Regelmatig gebruik van bèta-agonisten per inhalatie gaat soms samen met een paradoxaal verlies van de controle over het astma en een verslechtering van de bronchiale hyperreactiviteit (BHR). Het onderliggende mechanisme is nog onbekend. Onlangs is het neurotrofine (&#8216;brain-derived neurotrophic factor&#8217;; BDNF) ontdekt als een van de mediatoren die een rol spelen bij het ontstaan van bronchiale hyperreactiviteit bij astma. Achttien patiënten met een mild allergisch astma die niet regelmatig anti-astma-therapie gebruikten inhaleerden gedurende twee weken de langwerkende beta-agonist salmeterol en aansluitend twee weken salmeterol in combinatie met het inhalatiecorticosteroid fluticason. De bronchiale hyperreactiviteit voor histamine en de concentratie van BDNF in het bloed en bloedplaatjes werden bepaald voor aanvang van het onderzoek, nogmaals na 14 dagen gebruik van salmeterol en tot slot na 14 dagen gebruik van de combinatietherapie. Daarnaast werd in vitro het effect van salmeterol op de afgifte van BDNF door mononucleaire cellen uit het perifere bloed bepaald. Monotherapie met salmeterol gaf aanleiding tot een significante toename van de concentratie van BDNF in het serum en in bloedplaatjes. Deze toename werd teniet gedaan door de toevoeging van fluticason aan de behandeling met salmeterol. Deze bevindingen konden in vitro worden bevestigd. Salmeterol verhoogde de afgifte van BDNF door mononucleaire cellen en deze afgifte werd geremd door co-incubatie met fluticason. De toegenomen concentratie van BDNF in serum en in de bloedplaatjes bleek samen te gaan met een verslechtering van de bronchiale hyperreactiviteit voor histamine. Deze waarden normaliseerden na 14 dagen combinatietherapie met salmeterol en fluticason. Er kon geen verband worden aangetoond tussen polymorfisme van de bèta-2 receptor en veranderingen in de bronchiale hyperreactiviteit.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Behandeling van reumatoïde artritis: er is vooruitgang in de behandeling en de behandelstrategie is belangrijker dan het middel</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a7.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a7</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Naar aanleiding van een artikel over golimumab, de beoogde opvolger van infliximab, een anti-TNF middel voor reumatoïde artritis, vraagt Yazici1 zich in een redactioneel commentaar in de Lancet af of we nog wel behoefte hebben aan een nieuwe TNF-blokker voor reumatoïde artritis. Yazici belicht het huidige beleid bij de behandeling van reumatoïde artritis en de plaats daarin van monoclonale antistoffen (&#8216;biologicals&#8217;). Men begint behandeling meestal met zogenoemde &#8216;disease modifying anti-rheumatic drugs&#8217; (DMARDs) (te weten sulfasalazine, hydroxychloroquine en methotrexaat). Methotrexaat (MTX) is de gouden standaard geworden. Echter, 30-40% van de patiënten toont geen verbetering op behandeling met MTX en deze komen in beginsel in aanmerking voor behandeling met een anti-TNF geneesmiddel (etanercept, infliximab of adalimumab). De helft van de behandelde patiënten blijft echter klachten houden en kan als volgende behandelstap op een andere TNF-blokker worden overgezet of met rituximab (anti- CD20 antistof) of abatacept (CTLA4 fusie-eiwit) worden behandeld. Sommige patiënten reageren goed op behandeling met een andere TNF-blokker, anderen reageren op rituximab. Op de vraag of we daadwerkelijk nog meer TNF-blokkers nodig hebben is het enig juiste antwoord: indien zij bij alle patiënten met reumatoïde artritis zouden werken, zonder meer. Indien niet, dan worden het gebruiksgemak (bijvoorbeeld toediening éénmaal per maand in het geval van golimumab) en de bijwerkingen en veiligheid belangrijk.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Een remmer van aldosteron heeft geen invloed op arteriosclerose bij diabetes type 2</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a8.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a8</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>H.R. de Vries</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;H.R. de Vries&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De remming van het renine-angiotensinesysteem en vooral van aldosteron zou bij mensen met diabetes mellitus type 2 een gunstige invloed hebben op de vroegtijdige ontwikkeling van arteriosclerose en hartvaatziekte.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Cutane bijwerkingen van anti-TNF behandeling</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863a9.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863a9</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Anti-TNF behandeling speelt momenteel een belangrijke rol bij de behandeling van psoriasis. Om na te gaan of deze behandeling aanleiding geeft tot cutane bijwerkingen werd een systematisch onderzoek gedaan in de databank van Medline1. Hieruit bleek dat het meest frequent infusie reacties en reacties op de plaats van injiceren optraden. Andere huidafwijkingen waren: psoriasiforme erupties, lupus-achtige aandoeningen, vasculitis, granulomateuze reacties, cutane infecties en cutane neoplasmata. In de meeste gevallen diende bij het optreden van deze bijwerkingen de behandeling met anti-TNF therapie niet gestaakt te worden.Van de meeste bijwerkingen is echter nog te weinig documentatie om over een causale relatie met de therapie te spreken. Meer farmacovigilantie is daarvoor nodig.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Heroïne of methadon voor opiaatverslaving</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863aa.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863aa</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>J.M.A. Sitsen</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;J.M.A. Sitsen&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;De gunstige resultaten die in Europa (Duitsland, Nederland, Spanje, Zwitserland) zijn verkregen met verstrekking van heroïne aan mensen die aan heroïne verslaafd zijn, brachten Oviedo-Joekes et al. (2009) ertoe ook in Noord-Amerika een onderzoek te verrichten naar een dergelijke vorm van behandeling van heroïneverslaafden. Zij vergeleken in een open, gerandomiseerd, fase 3 onderzoek intraveneuze toediening van heroïne met orale onderhoudsbehandeling met methadon bij 226 mensen die zich reeds lang intraveneus heroïne toedienden en geen baat hadden gehad bij tenminste twee eerdere pogingen tot behandeling van hun verslaving (waarvan tenminste één met methadon &gt; 60 mg/dag). De deelnemers aan het onderzoek in de heroïnegroep (n=115) dienden zichzelf tot driemaal per dag de heroïne intraveneus toe onder toezicht in de klinieken voor behandeling met een maximale dosering per dag van 1000 mg; de patiënten in de methadongroep (n=111) kregen hun methadon volgens de &#8216;best practices in methadone maintenance treatment&#8217; van &#8216;Health Canada&#8217;. De patiënten die heroïne gebruikten konden op ieder gewenst ogenblik overschakelen op oraal toegediend methadon indien de patiënt en zijn/haar arts dat nuttig achtten. Naast de genoemde behandeling met methadon of heroïne kregen alle patiënten de gebruikelijke psychosociale en eerstelijnsbehandeling aangeboden.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Collagenase clostridium histolyticum voor de contractuur van Dupuytren</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863ab.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863ab</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>E. van der Does</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;E. van der Does&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Beschreven wordt een groep van 308 mensen met dupuytrencontractuur van minstens 20 graden van één of meer vingers. De mensen werden in twee groepen verdeeld. In plaats van klinisch-chirurgisch ingrijpen kregen 204 mensen poliklinisch injectie(s) in de gecontraheerde pezen met collagenase clostridium histolyticum (clostridiopeptidase = collageensplitsend enzym, bestaande uit clostridiopeptidase A en andere proteasen, geïsoleerd uit Clostridium histolyticum-culturen) en kregen 104 mensen placebo. Dupuytrencontractuur betreft vooral het metacarpofalangeaal gewricht en/of het proximale interfalangeale gewricht. Collagenase clostridium histolyticum lost collageen op en dat leidt tot ruptuur van de pees. De dag na toediening van het middel of de placebo wordt de vinger gemanipuleerd om te zien in hoeverre de extensiecontractuur al teruggegaan is of mogelijk de pees al geruptureerd is.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Liraglutide monotherapie bij diabetes mellitus type II</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863ac.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863ac</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>T. van Gelder</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;T. van Gelder&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Liraglutide is een analogon van het glucagon-like peptide 1 (GLP-1). GLP-1 stimuleert de glucose-afhankelijke insuline secretie, het onderdrukt de glucagonsecretie, en het zorgt voor vertraagde maagontlediging en vermindert het hongergevoel. In een eerder 14 weken durend onderzoek waarin liraglutide als monotherapie bij type 2 diabetes was gegeven, was aangetoond dat nuchtere en postprandiale bloedglucose waarden en het HbA1c verbeterden. Er werden wel meer gastro-intestinale bijwerkingen gemeld van liraglutide gebruik.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Vitamine D en atorvastatine: een onverwachte geneesmiddeleninteractie</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863ad.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863ad</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>J.M.A. Sitsen</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;J.M.A. Sitsen&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Onderzoek in vitro liet zien dat 1,25-dihydroxy-vitamine D (1,25-dihydroxycolecalciferol) bijdraagt aan de regeling van de activiteit van cytochroom P450 3A (CYP3A) door vorming van een complex met de vitamine D-receptor met als resultaat een toename van de hoeveelheid CYP3A eiwit en versnelde omzetting van midazolam. Atorvastatine is een cholesterolverlager met een lage biologische beschikbaarheid als gevolg van een groot &#8216;first-pass&#8217; metabolisme voornamelijk door CYP3A in de darmwand en de lever. CYP3A4 is betrokken bij de omzetting van atorvastatinezuur (de vorm waarin atorvastatine wordt toegediend) in twee actieve metabolieten: 2-hydroxyatorvastatinezuur en 4-hydroxy-atorvastatinezuur.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Verschil in bijwerkingen van topiramaat bij migraine- en epilepsiepatiënten</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863ae.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863ae</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>H.J.M.G. Nelissen-Vrancken</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;H.J.M.G. Nelissen-Vrancken&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;In een meta-analyse vergeleken Luykx en medewerkers1 de bijwerkingen van topiramaat die optreden bij migrainepatiënten en bij epilepsiepatiënten. De bevindingen in vier gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCT&#8217;s) met monotherapie topiramaat bij epilepsiepatiënten (N=1.179 patiënten) werden vergeleken met de bevindingen in zes RCT&#8217;s bij migrainepatiënten (N=1.723 patiënten). De gebruikte doseringen topiramaat bij migrainepatiënten waren 50, 100 en 200 mg en bij de epilepsiepatiënten ook nog 400, 500 en 1000 mg.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Nieuwe doseerrichtlijnen voor colchicine</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863af.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863af</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.J.M.M. Toll</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.J.M.M. Toll&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Colchicine wordt reeds lang als niet-geregistreerd geneesmiddel in de Verenigde Staten toegepast bij de behandeling van acute jichtaanvallen en bij familiaire mediterrane koorts. Een colchicinepreparaat is onlangs door de FDA goedgekeurd en wordt als Colcrys® op de Amerikaanse markt gebracht.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Gezondheidseffecten van een mediterraan dieet</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863b0.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863b0</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>G. Laekeman</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;G. Laekeman&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Reeds meer dan tien jaar worden de mogelijke effecten van voedingsgewoonten rond de Middellandse zee bestudeerd. Zowel totale mortaliteit, diabetes, ziekte van Alzheimer als kanker in het algemeen werden als harde uitkomstmaten gekozen. Wie zich houdt aan de zuiderse voeding leeft significant langer (RR: 0,91; 95% CI: 0,89 - 0,94).&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry><entry><title>Palliatieve behandeling van dyspnoeklachten bij vergevorderde COPD; heroverweging van het gebruik van opiaten</title><link type="text/html" rel="alternate" href="http://www.vakbibliotheek.nl/updatealert/default.asp?page=0168-7670/09014f3c802863b1.html"/><id>urn:dctm:chron_id:09014f3c802863b1</id><bsl:issn>0168-7670</bsl:issn><bsl:volume>47</bsl:volume><bsl:issue>10</bsl:issue><bsl:date>december 2009</bsl:date><bsl:author><name>P.L.B. Bruijnzeel</name></bsl:author><updated>2009-12-30T01:00:00Z</updated><content type="html" xml:lang="nl">&lt;b&gt;P.L.B. Bruijnzeel&lt;/b&gt;&lt;br/&gt;Chronisch obstructieve longziekte (COPD) zal naar verwachting in 2020 de derde doodsoorzaak zijn. De lasten die deze in toenemende mate voorkomende ziekte met zich meebrengen voor de patiënten zelf, de verzorgende familie en omgeving en het gezondheidssysteem zijn aanzienlijk. Naarmate de ziekte in ernst vordert wordt het steeds moeilijker de dyspnoeklachten op een goede manier te behandelen en in 50% van die gevallen deze patiënten met COPD geen verbetering meer op conventionele luchtwegverwijdende therapie. In het onderhavige artikel wordt ingegaan op het gebruik van opiaten door ernstige COPD-patiënten om daarmee op palliatieve wijze verlichting van hun dyspnoeklachten te bewerkstelligen. Alhoewel de ziekte al in een zeer vergevorderd stadium is moet er op gewezen worden dat deze patiënten nog niet terminaal zijn. Aangezien de dyspnoeklachten therapieresistent zijn hangt het sterk van de individuele beleving van de patiënt met COPD af hoe hij/zij met deze klachten omgaat. Bij chronische dyspnoe spelen namelijk het limbische en paralimbische systeem een rol en is er zodoende betrokkenheid van het centraal zenuwstelsel. Op dit laatste richt zich de behandeling met opiaten.&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;small&gt;&lt;b&gt;Copyright 2009 Bohn Stafleu van Loghum, Houten&lt;/b&gt;&lt;/small&gt;&lt;/p&gt;</content></entry></feed>
